Verrijzenis






Evangelische verkenning van verrijzenis


1. Het hart van christelijk geloof


De apostel Paulus laat er geen misverstand over bestaan: dat Jezus is gestorven voor onze zonden en dat Hij is opgestaan op de derde dag, dàt is de kern van de blijde boodschap. Het sterkst komt deze overtuiging naar voor in de eerste brief aan de christenen van Korinthe. Daar gebruikt Paulus de term ‘evangelie’ om zijn verkondiging kernachtig te verwoorden.


Broeders en zusters, ik wijs u nog eens op het evangelie dat ik u heb verkondigd, dat u hebt aanvaard, waarop u gegrondvest bent en waardoor u ook gered wordt, tenminste als u zich houdt aan de bewoordingen waarin ik het u verkondigd heb; anders zou u het geloof zonder nadenken hebben aanvaard. In de eerste plaats heb ik u doorgegeven wat ik zelf als overlevering heb ontvangen, namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften, en dat Hij begraven is, en opgestaan op de derde dag, volgens de Schriften; en dat Hij is verschenen aan Kefas en daarna aan de twaalf.


2. De verrijzenis van Jezus


Wat de verhalen niet vertellen
De vier evangelies reppen met geen woord over het eigenlijke verrijzenisgebeuren. Het verhaal verspringt van de graflegging naar het bezoek aan het graf de volgende ochtend. Geen van de evangelisten beschrijft wat er tussen deze twee momenten gebeurt.
Hedendaagse geloofsverkondigers moeten niet beter zijn dan de evangelisten. Niemand van ons moet kunnen uitleggen wat verrijzenis precies is. De tijdsspanne tussen graflegging en grafbezoek blijft in het duister. Centraal in ons geloof staat een woord dat we niet ten volle verstaan.


Het lege graf
De vier evangelisten hebben elk hun eigen versie van de gebeurtenissen bij het graf, de ochtend van Pasen. De kern van het relaas is gelijklopend. Een aantal vrouwelijke leerlingen komt bij het graf maar ontdekt dat de steen is weggerold. Blijkt dat het lichaam van Jezus verdwenen is. Het graf is leeg. De synoptici (Matteüs, Marcus en Lucas) plaatsen engelachtige figuren in dit tafereel om betekenis te geven aan de situatie.
Deze teksten worden gelezen tijdens de paasvieringen en staan dus bekend als de belangrijkste verrijzenisteksten. Nochtans hebben ze een merkwaardig kenmerk gemeenschappelijk: Jezus is afwezig. De verrezene is er niet. De ervaring van verrijzenis start blijkbaar vanuit een confrontatie met afwezigheid. Lucas verwoordt dit het sterkst. De twee mannen in het wit zeggen daar tot de vrouwen:


Wat zoekt ge de levende bij de doden? Hij is niet hier, Hij is verrezen. 
Lc 24,5-6


Deze ervaring werkt eerder ontredderend bij de vrouwen. In de versie van Marcus zijn ze zelfs te bang om er iets mee te doen. In de versie van Lucas richten de vrouwen zich tot de leerlingen. Maar ook daar loopt het fout met de verkondiging. De mannen hechten geen geloof aan wat de vrouwen zeggen:


Ze vertelden het dus aan de apostelen,
maar in hun ogen was het onzin wat de vrouwen zeiden,
en ze geloofden hen niet.
Toch holde Petrus naar het graf,
en toen hij er een blik in wierp zag hij alleen de linnen doeken.
Hij ging terug naar huis, verbaasd over wat er gebeurd was.
Lc 24, 10-11



Midden de reacties van vrees, verbazing en ongeloof groeit hier en daar iets anders. Dat Petrus toch naar het graf holt, is het begin van geloof. Wat hij ziet, brengt hem alvast van ongeloof naar verbazing. Deze graduele overgang wordt meesterlijk verteld door Johannes (Joh 20,1-10). Maria Magdalena, Petrus en Johannes vertegenwoordigen verschillende stadia in de beweging naar de kern van het lege graf. Slechts langzaamaan leidt het ‘zien’ tot ‘geloven’. En het is duidelijk dat daarmee het eindpunt nog niet is bereikt. Het lege graf is slechts de aanloop naar de echte verrijzeniservaring.


De verschijningen
Telkens volgen op de verhalen van het lege graf de zogenaamde verschijningsverhalen. Dat zijn er heel wat:
Mt 28,9-10
Mt 28,16-20
Mc 16,9-20
Lc 24,13-35
Lc 24,36-49
Jo 20,11-18
Jo 20,19-23
Jo 20,24-29
Jo 21


Plots komt Jezus wel terug in beeld. In de verschijningsteksten is Hij een aanwezige afwezige. Hij is niet op dezelfde wijze bij hen als tevoren. Hij is nog wel dezelfde maar niet herkenbaar. Hij komt en gaat als een soort geest. Opnieuw wordt weinig aandacht besteed aan het hoe en wat. Belangrijk in deze teksten is dat de leerlingen Jezus’ aanwezigheid ervaren tot in het diepst van hun ziel. En op dat moment komen ze tot geloof. De ontmoeting met de verrezene verandert hun leven.


Conclusie
De centrale vraag in de teksten over Jezus’ verrijzenis is niet: Wat is er gebeurd met Jezus?
De centrale vraag is: Wat is er gebeurd met Jezus’ leerlingen?
Het antwoord op deze vraag luidt: Ze hebben de afwezige ervaren als aanwezig.
Deze ervaring heeft geleid tot geloof.
Geloof waarin?
De evangelies leggen heel uiteenlopende klemtonen:


Nog veel andere tekenen heeft Jezus voor de ogen van zijn leerlingen verricht, die niet in dit boek zijn neergeschreven. Die welke u hier vindt, zijn neergeschreven opdat u zult geloven dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en opdat u door te geloven leven zult bezitten in zijn naam.
Jo 20,30-31



Dat je, gelovend in Jezus Messias, deelt in zijn leven. En dat geen dood daar tegenop kan.


Weet wel, Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld.
Mt 28,20



Dat je vanuit de ontmoeting met de verrezene weet dat je nooit nog alleen staat in het leven.


Er staat geschreven dat de Messias zou lijden en op de derde dag uit de doden zou opstaan, en dat in zijn naam de bekering zou worden verkondigd aan alle volken, tot vergeving van zonden. Jullie zullen hiervan getuigen, te beginnen in Jeruzalem.
Lc 24,46-48



Dat je geroepen bent om getuigenis af te leggen van Gods levengevende liefde die sterker is dan de menselijke zondigheid.


3. En wij?


Geloof in het hiernumaals
Op de eerste plaats hebben deze teksten een boodschap met betrekking tot ons leven hier en nu.


Ga, en maak alle volkeren tot leerling; doop hen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest, en leer hun alles onderhouden wat Ik jullie geboden heb.
Mt 24, 19-20



Ons wordt verkondigd dat:
  • Jezus de Messias is
  • geloof in Hem naar leven leidt in zijn naam
  • Hij met ons is
  • in zijn naam onze zonden vergeven zijn. 
Het christelijke verrijzenisgeloof biedt in eerste instantie geen beeld van het leven na de dood. Centraal staat de ontmoeting met de verrezene. De leerlingen van Jezus ervaren zijn aanwezigheid en plaatsen uitdrukkelijk hun leven in relatie met Hem. Deze relatie blijkt niet gebroken door de grens van de dood. Ze is springlevend en krijgt zelfs nieuwe kracht en inhoud door de lijdensgeschiedenis van Jezus.
Geloof in het hiernamaals
In tweede instantie leiden deze teksten tot een boodschap met betrekking tot ons leven over de grens van de dood.


Als wij verkondigen dat Christus uit de doden is opgestaan, hoe is het dan mogelijk dat sommigen onder u beweren dat er geen opstanding van de doden bestaat? Als er geen opstanding van de doden bestaat, is ook Christus niet opgestaan. En als Christus niet is opgestaan, dan is onze prediking zonder inhoud en uw geloof leeg. Dan blijken wij zelfs van God een vals getuigenis te hebben afgelegd; want dan hebben wij tegen God in getuigd dat Hij Christus heeft opgewekt, wat Hij niet heeft gedaan, indien, zoals zij beweren, de doden niet verrijzen. Want als de doden niet verrijzen, is ook Christus niet verrezen, en als Christus niet is verrezen, is uw geloof waardeloos en ligt u nog in zonde.
1Kor 15,12-17



De verrijzenis van Jezus is niet voorbehouden aan de Christus. Zijn weg is geopend voor ieder van zijn leerlingen. Ze zijn geroepen hun kruis op te nemen in de hoop en het vertrouwen dat Gods liefde zich ook tegenover hen sterker toont dan de dood.
De christelijke verrijzenisboodschap legt niet de nadruk op een leven na de dood. Ze verkondigt dat de liefdesrelatie tussen God en mens niet vernietigd wordt door de dood.


4. Een evangelisch getuigenis: de opwekking van Lazarus.
Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp van Maria en haar zuster, Marta.
...
De zusters stuurden Jezus de boodschap: ‘Heer, hier is iemand ziek, iemand van wie U houdt.’
Jezus hield veel van Marta, van haar zuster en van Lazarus.
...
‘Lazarus is gestorven. Toch ben Ik blij voor jullie, met het oog op jullie geloof, dat Ik niet ter plaatse was.’
...
Bij de aankomst van Jezus bleek Lazarus al vier dagen in het graf te liggen.
...
Marta, die gehoord had dat Jezus op komst was, was Hem tegemoet gegaan;
Maria was thuisgebleven.
Marta zei tegen Jezus:
‘Heer, als U hier geweest was, zou mijn broer nooit gestorven zijn.
Maar ik weet zeker dat U ook nu nog alles aan God kunt vragen
en dat Hij het U zal geven.’
‘Je broer zal opstaan’, verzekerde Jezus haar.
‘Dat weet ik,’ zei Marta, ‘hij zal opstaan bij de opstanding op de laatste dag.’
‘Ik ben de opstanding en het leven’, zei Jezus.
‘Wie in Mij gelooft mag dan wel sterven, toch zal hij leven;
en iedereen die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven.
Geloof je dat?’
‘Ja Heer,’ antwoordde Marta,
‘ik geloof vast dat U de Messias bent, de Zoon van God,
degene die in de wereld komen zou.’
...
Toen Maria de plaats bereikt had waar Jezus zich bevond,
wierp ze zich, zodra ze Hem zag, voor Hem neer en zei:
‘Heer, als U hier geweest was, zou mijn broer nooit gestorven zijn.’
Toen Jezus zag hoe ze weeklaagde
en hoe ook de Joden die haar vergezelden weeklaagden,
ontstak Hij in toorn en wond zich op.
...
‘Neem die steen weg’, beval Hij.
Marta, de zuster van de gestorvene, zei:
‘Maar Heer, de stank! Hij ligt er al vier dagen!’
‘Lazarus, kom naar buiten!’
En de dode kwam naar buiten, zijn voeten en handen gebonden met zwachtels en zijn gezicht in een doek gewikkeld.
‘Maak hem los,’ beval Jezus, ‘en laat hem gaan.’
Jo 11,1-44



De tekst is gekend als de opwekking van Lazarus. Maar het is opvallend hoe weinig aandacht de tekst besteedt aan het zogenaamde hoofdpersonage. De zussen Maria en Marta staan veel meer in het licht dan hun broer. Ze ontmoeten Jezus apart. De twee gesprekken beginnen met precies dezelfde zin: ‘Heer, als U hier geweest was, zou mijn broer nooit gestorven zijn.’ Je kan deze uitspraak op twee wijzen verstaan. Het kan een uiting zijn van geloof of van verdriet en verwijt. Elk van de zussen vertegenwoordigt één van de invalshoeken. 

Bij Maria staat het verdriet centraal. Zij weeklaagt en iedereen die haar vergezelt weeklaagt. Ook voor de leerlingen en vrienden van Jezus is de dood een pijnlijk gebeuren. Ook Jezus is diep geraakt. Dit tafereel is één van de weinige waar Jezus emotie toont. Welk gevoelen het precies is, wordt opengelaten. Het Griekse woord dat gebruikt is in de tekst kan zowel woede als verdriet bedoelen. Het relaas maakt in ieder geval duidelijk dat ook Jezus zelf de pijnlijkheid van de grens van de dood kent.


Bij Marta staat het geloof centraal. In Jezus krijgt het woord ‘leven’ een nieuwe betekenis. In het normale taalgebruik eindigt het leven bij de dood. In de woordenschat van Jezus’ leerlingen is er leven zelfs als je gestorven bent. Opnieuw biedt de tekst heel weinig details over de hoedanigheid van dit leven. Veel belangrijker is of Marta zich eraan toevertrouwt. Geloof je dit? De geloofsbelijdenis van Marta richt zich vervolgens niet op een filosofische, morele of biologische levensbeschouwing. Ze verbindt zich met Jezus, ze richt zich op zijn identiteit en de betekenis die dit heeft voor mensen als zij.


In Marta en Maria toont zich de complexiteit van de christelijke beleving van afscheid en rouw. Beide zijn ze een belangrijk onderdeel van hoe wij omgaan met de dood.
Verdriet, woede en ontroering hebben binnen de christelijke visie op leven en dood hun plaats. Het verrijzenisgeloof neemt dit diepmenselijke aspect niet weg. Willen wij als leerlingen van Jezus mensen nabij zijn op het moment van afscheid, mogen verdriet en woede er zijn. Wij zijn geroepen deze gevoelens te delen met de mensen met wie we ons verbinden.
Geloof en hoop plaatsen zich niet tegenover deze emoties maar er naast. In de pijn en het verdriet zijn wij geroepen mensen uit te nodigen zich te verbinden met Jezus en met de God die in Hem zichtbaar is geworden. De verkondiging van de opstanding is een wezenlijk onderdeel hiervan.